Boekgegevens
Titel: In sloot en plas
Auteur: Heimans, E.; Thijsse, Jac.P.
Uitgave: Amsterdam: Versluys, 1895
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-251
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204398
Onderwerp: Biologie: zoögeografie, zoö-ecologie, Biologie: plantengeografie, plantenecologie
Trefwoord: Waterplanten, Waterdieren
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   In sloot en plas
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
Welke waterplanten ge nemen moet, hoe ge ze verkrij-
gen en planten kunt, en ook waarin die weldaad voor de
vischjes bestaat, zult ge in de tweede helft van dit boekje
gewaar wwden. Dit wil ik er wel van verklappen, dat ge
zoodoende van een folter-gevangenis, een brokje werkelijke
natuur hebt gemaakt.
Toen uw gerande kever zooeven jnet het stukje vleesch,
dat ge hem ])resenteerde, de veilige diepte opzocht, hebt
ge misschien opgemerkt, dat hij aan de punt van zi^jn ach-
terlijf een luchtbel meenam en er onderweg een of meer
liet ontsnappen. Let ge van tijd tot tijd op het doen en
laten van uw beestjes, dan bemerkt ge wis, dat de water-
torren wel heel lang onderwater kunnen blijven, maar dat
ze zoo nu en dan een luchtje komen scheppen.
De gerande doet dit echter op een zeer zonderlinge ma-
nier; niet met zijn kop, maar met zyn achterlijf hapt hij
lucht. Die lucht neemt hij mee naar beneden, als voorraad
bij de ademhaling, en die geeft hem tevens een middel om
naar willekeur langzamer of sneller te dalen; want door
lucht uit te werpen kan hij zich plotsehng veel zwaarder
maken. Hy gaat derhalve ongeveer op dezelfde wijze te
werk als een luchtreiziger, die gas laat ontsnappen.
Waar de tor die lucht bergt? Wel, de zachtgewelfde
dekschilden vormen immers een dak boven zyn achterlijf,
dat ruimte genoeg heeft om een flinke voorraad te bevat-
ten. De randen van dit dak sluiten zeer goed om den eenigs-
zins verhoogden zijrand van het lichaam heen; en die rand
is bovendien van een rij fijne haartjes voorzien, die het in-
dringen van water beletten. Alleen aan de uiterste punt
van het lichaam ziet ge bij een dooden kever een fijne ope-
ning; die opening wordt echter bij den levende, in 't water
door een luchtbel afgesloten; ook de beide helften van het
dak, de beide dekschilden, sluiten midden op den rug water-