Boekgegevens
Titel: In sloot en plas
Auteur: Heimans, E.; Thijsse, Jac.P.
Uitgave: Amsterdam: Versluys, 1895
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-251
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204398
Onderwerp: Biologie: zoögeografie, zoö-ecologie, Biologie: plantengeografie, plantenecologie
Trefwoord: Waterplanten, Waterdieren
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   In sloot en plas
Vorige scan Volgende scanScanned page
daardooi' voor velen het voorwerp van studie geworden,
inj is dan ook gemakkelijk te Ijestudeeren, doordat hij niel
bijzonfler vlug in zijn bewegingen is, ten minste lang niet
zoo behendig als zijn buurman, de gerande.
Al dadelijk merkt ge onderscheid met deze in de maniet
van zwemmen. Hij slaat zyn zwempooten niet beide tege-
lijk uit, maar roeit om beurten met de pooten; dit maakt
op ons den indruk, dat hij door het water loopt of trippelt.
Ook bij deze keversoort zijn de mannetjes op het eerste
gezicht gemakkelijk van de wijfjes te onderscheiden. Net
als bij de gerande kevers, hebben de mannetjes aan het
voorste paar pooten hechtschijfjes, maar van anderen vorm,
die bij de wijfjes steeds ontbreken, bovendien zijn deze wat
grooter dan de mannetjes. De onderzijde is niet geel, maai'
lijkt grijsachtig, doordat die zijde dichter en fijner behaard
is; onder water schijnt die onderkant met zilver beslagen
te zijn ; die zilverglans steekt prachtig tegen het diepe zwart
van het bovenlichaam af, en dit maakt den kever tot een
gewenscht sieraad voor elk aquarium.
Houdt uw tante of uw grootmoeder goudvisschen, bezorg
haar dan eens een paartje van hydrophilus (zoo heet de
pikzwarte in het latijn, — waterminnaar beteekent het) en
plaats er wat waterplanten bij in; dan doet ge een weldaad
aan de vischjes.
[n het eerst zal uw tante misschien iets tegen liie griezelige
beestjes hebben, maar als ge ze haar eens goed laat bekij-
ken en haar verzekert, dat ze de vischjes geen kwaad zullen
doen, zal ze er spoedig vrede mee hebben, dat ge wat zilver,
smaragd en zwart bij haar goud hebt gevoegd; zij zal er
misschien evenveel genoegen in vinden als in de goudvis
schen, voornamelijk als ze ondervindt, dat haar lievehngen
langer blijven leven, veel darteier worden, en dat het water
niet zoo gauw bederft, al vergeet zij het te ververschen.
3