Boekgegevens
Titel: In sloot en plas
Auteur: Heimans, E.; Thijsse, Jac.P.
Uitgave: Amsterdam: Versluys, 1895
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-251
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204398
Onderwerp: Biologie: zoögeografie, zoö-ecologie, Biologie: plantengeografie, plantenecologie
Trefwoord: Waterplanten, Waterdieren
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   In sloot en plas
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
sterk afraden er een ander aan te wagen. Die kaken, een
paar kromme haken op het oog, dringen meestal zoo ver
niet door, maar het kon bij fijne handjes toch eens wèl
het geval zijn — en dan weet men nooit, waarmee men
ingeënt wordt; zoo'n gerande tor is niet heel kieskeurig op
zijn spijzen, hij kon wel eens aan een dier in staat van
ontbmding hebben gevreten en daardoor smetstof met zijn
kaken in uw bloed brengen; wat zachts een verzwering
tengevolge kan hebben.
Nu zult ge misschien de opmerking maken, dat ik druk
bezig ben, u af te schrikken van de studie der slootdieren,
na u eerst veel genoegen voorgespiegeld te hebben van die
waarnemingen. Het zou mij erg spijten, als dit zoo was.
niet dat ge die opmerking maakte, maar dat ge u liet
afschrikken.
G-e begrijpt wel, dat ik, om dit te vermijden, het boven-
staande licht weg had kunnen laten; toch heb ik het willen
zeggen, al is de kans op besmetting 1 tegen 1000; ik heb
maar ééns gehoord, dat het gebeurd is, en ik ben zelf vaak
gebeten, zonder er eenige gevolgen van te ondervinden.
Laat het u tot voorzichtigheid aansporen, zonder het on-
derzoeken te vermijden. Vat een kever altijd aan tus-
schen duim en vinger, in zijn lenden, en is het er een die
vocht afscheidt, gebruik dan liever een pincetje; een dubbel
gevouwen strookje blik is daartoe heel geschikt. Een tor
in de holle hand houden, kan nooit kwaad; zoo'n dier bijt
alleen als het zich voelt aanvatten.
Maar laat ik niet afdwalen, er is zoo veel te vertellen.
Het loont werkelijk de moeite, eens na te gaan, hoe de
inrichting van onzen kever — de geheele lichaamsvorm en
het maaksel van de lichaamsdeelen op zich zelf — met de
levenswijze in verband staan. Die twee, levenswijze en
inrichting, passen overal zoo wonderwel bij elkaar, dat zelfs