Boekgegevens
Titel: In sloot en plas
Auteur: Heimans, E.; Thijsse, Jac.P.
Uitgave: Amsterdam: Versluys, 1895
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-251
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204398
Onderwerp: Biologie: zoögeografie, zoö-ecologie, Biologie: plantengeografie, plantenecologie
Trefwoord: Waterplanten, Waterdieren
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   In sloot en plas
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
Misschien bedankt ge er voor, het dier levend in de hand
te nemen, — nu, dat is u niet kwahjk te nemen, ook al hebt
ge nog niet ondervonden, dat bnze gerande vriend er een
zeer leelijke gewoonte op na houdt, die heyn dikwijls uit de
nood helpt, maarows, menschen met gevoelige reukzenuwen
ten minste, niet juist aangenaam aandoet. Maar laat ik er niet
omheen draaien met mooie woorden; wie de natuur wil
bestudeeren, moet niet al te vies zijn. Hij scheidt, als hij
ia het nauw zit, aau den rand van het borstschild en 't achter-
lijf een vloeistof af, die een allervuilste reuk verspreidt;
heeft hij uw vingers bespoten, dan kunt gij er gerust groene
zeep of soda bij halen, anders is den geheelen dag destank
niet van de handen te krijgen; schoon water helpt niet.
Heeft hij een keer vocht gespoten, dan doet hij dit voor-
eerst niet weer; bovendien, vergif is het niet, laat u dat
nooit wijsmaken. Als ge de boeren, die u zien scheppen,
gelooven wilt, dan zijn al die slootdieren, tot salamanders
on kikkers toe, vergiftig. Ook kunt ge onzen kever wel doen
spuiten, zonder u zelf te laten bezoedelen; als ge hem name-
lijk op een gladde oppervlakte legt, zoodat hij wild met
zijn pooten krabbelt, zonder vooruit te kunnen komen, en
hem dan zacht op den rug tikt.
Maar, al zijt ge niet bang of vies uitgevallen, het aan-
vatten van onzen tor zou u toch nog wel eens een leelijk
gezicht kunnen doen trekken. Behalve het stinkvocht en
de spies aan zijn borst, heeft de gerande waterkever nog
een wapen, dat ook niet te minachten is. Hij verheugt zich
in het bezit van een paar kaken, die u een „aangenaam
kennis te maken!" toe kunnen roepen, dat ge waarschijnlijk
met een beleefd „auw, auw!" zult beantwoorden. Heel lang
duurt de pijn niet, en verdere last hebt ge er, duizend tegen
een, ook niet van. Toch mag ik u, hoe dapper ik u acht,
niet aanraden, de proef te nemen; en moet ik u eveneens