Boekgegevens
Titel: In sloot en plas
Auteur: Heimans, E.; Thijsse, Jac.P.
Uitgave: Amsterdam: Versluys, 1895
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-251
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204398
Onderwerp: Biologie: zoögeografie, zoö-ecologie, Biologie: plantengeografie, plantenecologie
Trefwoord: Waterplanten, Waterdieren
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   In sloot en plas
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
Antony van zooeven. Toch is het mijn plan niet, u op het
rijtje af de levensgeschiedenis van alle dieren, die ge daar
op de vensterbank hebt staan, te vertellen of stuk voor stuk
hun uiterlijk te beschrijven. Dat gaat ook niet aan, want
het is mogelijk dat ge, vogels en zoogdieren uitgezonderd, van
alle orden, waarin de geleerden de dierenwereld hebben ver-
deeld, vertegenwoordigers onder de oogen hebt; van de insec-
ten de meeste, maar ook van de kruipende dieren, van de
schaaldieren, van de weekilieren en van wat al dieren meer.
Als ik u alles vertelde, zou er ook voor eigen waarneming
niet veel overblijven, en daarom is het toch eigenlijk te doen.
Het beste zal zijn, u van eenige veel voorkomende dier-
soorten een uitvoerige vorm- en levensbeschrijving te geven,
die u tot steun kan strekken bij het nagaan der overige:
zoo ter loops komen dan de meeste anderen wel ter
sprake, want van de één vertellen, zonder vele andere te
noemen is niet mogelijk; door hun levenswijze staan al die
slootbewoncrs zoo nauw met elkaar in verband, dat het
wel schijnt, of de één alleen geschapen is, om den ander
het leven mogelijk te maken.
Bovendien zullen u de plaatjes wel met de meeste, al is
het dan ook oppervlakkig, bekend maken.
Het moet al een erg doode sloot zijn geweest, waarin ge
uw eerste jacht hebt gehouden, of onder de buit bevindt
zich één, of wellicht meer dan één, groote, donker olijfgroene
kever. Dat ge aan een niet al te klein insect kunt zien,
of het een kever is, moet ik nu maar aannemen; trouwens
de harde schilden, die de bovenzijde van het achterlijf en
daarmede de vleugels bedekken, zijn een vrij gemakkelijk
kenmerk van verreweg de meeste kevers; die worden daarom
immers in de leerboeken ook schildvleugelige insecten genoemd.
Ga nu na, of de groote kever, dien ge gevangen hebt, met