Boekgegevens
Titel: In sloot en plas
Auteur: Heimans, E.; Thijsse, Jac.P.
Uitgave: Amsterdam: Versluys, 1895
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-251
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204398
Onderwerp: Biologie: zoögeografie, zoö-ecologie, Biologie: plantengeografie, plantenecologie
Trefwoord: Waterplanten, Waterdieren
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   In sloot en plas
Vorige scan Volgende scanScanned page
I 161
jj gedoken bladeren, de drijvende vertoonen vormen wisselend
!van den klimopvorm tot dien van de bladeren van de ge-
wone boterbloem; de ondergedokene zijn ä la Hoornblad of
I ä la Blaasjeskruid fijn haarachtig verdeeld. Maar de bloempjes
^ zijn mooi wit en ze hebben gele hartjes en — zooals ik
3 reeds gezegd heb — ze vormen in de zomermaanden op sloo-
ten en plassen een dicht, schitterend wit, sneeuwen dekkleed,
j Nu hebben we nog een waterplant, ook met witte bloemen;
I daar zullen we nog even naar omzien, dan hebben we voor
B dezen zomer genoeg gedaan. Kroosbloempjes schijnen we
maar niet te kunnen vinden, daar zullen we het volgend
jaar nog eens naar uitzien, als we de bloemen van den
waterkant onderhanden zuUen nemen. Gij kunt ook niet
alles ineens vinden. Doch ter zake. Die plant dan, welke
ons nog rest, is alweer geen zeldzaamheid, maar toch een
^ leuk gewas. Millioenen en milhoenen groeien er in ons
I veenachtig vaderland en ze hebben niet weinig tot de vorming
ervan bijgedragen. Van verscheidene onzer vaarten bedekken
ze den bodem geheel — neen, niet de afgestorvene, maar
de levende planten — want ze leven bijna altijd geheel
onder water. Bijna altijd — slechts tweemaal in het jaar
komen ze boven, ééns om te bloeien en eenmaal om hun
zaden uit te strooien. Het overige van hun leven brengen
ze op den bodem door, wortelend in den slijkbodem en zich
vertakkend naar alle kanten. Gij hebt ze dikwijls genoeg
gezien, dichte rosetten van lange spitse bladeren, die aan
hunne randen voorzien zijn van stekelige punten, daarnaar
heeten ze water-aloë. (Stratiotes aloides: de weerbare krijgs-
man, die wel wat heeft van een aloë.)
Het volk noemt ze scheeren of krabbeschaar.
In Mei of Juni vindt ge de bloemen. Die hebben het
voor bloemen nog niet heel erg ver gebracht; ze mochten
wel wat meer moeite doen, om tusschen de bladeren te
11