Boekgegevens
Titel: In sloot en plas
Auteur: Heimans, E.; Thijsse, Jac.P.
Uitgave: Amsterdam: Versluys, 1895
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-251
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204398
Onderwerp: Biologie: zoögeografie, zoö-ecologie, Biologie: plantengeografie, plantenecologie
Trefwoord: Waterplanten, Waterdieren
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   In sloot en plas
Vorige scan Volgende scanScanned page
152
Eenigen tijd na de bladeren komen de bloemen te voor-
schyn — in de laatste helft van Mei. Gevulde bloemen zyn
het — die komen in 't wild anders niet zoo heel veel voor.
Weet ge, hoe de tuinier gevulde rozen kweekt? Een roos
in wilden staat is altijd enkel; hij bezit maar een krans van
vijf kroonbladen, daarbinnen eene menigte meeldraden. Door
kweeking nu brengt de tuinier het zoover, dat die meel-
draden zich weelderiger ontwikkelen, zich vergrooten en
verbroeden, kortom, zich veranderen in kroonbladen.
Hoe dit nu mogelijk is, kunt gij gemakkelijk zien bij het
ontbladeren van een witte plompbloem. Eerst komen vier
kelkbladen, van buiten groen van binnen wit; daar lijken
ze dus al op kroonbladen. Dan volgen eenige kransen
zuiver smetteloos witte kroonbladen.
Hoe verder ge echter met het ontbladeren vordert, des te
smaller worden ze en weldra krijgt ge er te zien, die aan
hun top een weinig verfrommeld zijn en een geel tipje
dragen. Verder naar binnen ontwikkelt dat gele tipje zich
langzamerhand tot een helmknop, terwijl het versmalde
kroonblad zelf ineenslinkt tot een platte helmdraad. Binnen
die meeldraden zit de stamper, een groote, met vele platte'
stempels, en daar valt meestal het 'stuifmeel uit meeldraden
van dezelfde bloem op. Want de witte plomp heeft geene
bijzondere inrichting voor kruisbestuiving. Alleen zijn de
meeldraden iets later rijp dan de stampers, zoodat de laatste
in die korte poos met stuifmeel van andere bloemen, door
insecten aangebracht, bedekt kunnen worden.
Maar wij vragen bij de plompen niet naar bijzondère
inrichtingen, het is ons voldoende hun stille pracht gade te
slaan, onder den wolkeloozen Junihemel in de warme zomer-
zon ! Een eenig genot is het, dan op een van onze groote
veenplassen in een bootje rond te drijven, omgeven door
duizenden en duizenden dezer witte waterrozen. Ze steken