Boekgegevens
Titel: In sloot en plas
Auteur: Heimans, E.; Thijsse, Jac.P.
Uitgave: Amsterdam: Versluys, 1895
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-251
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204398
Onderwerp: Biologie: zoögeografie, zoö-ecologie, Biologie: plantengeografie, plantenecologie
Trefwoord: Waterplanten, Waterdieren
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   In sloot en plas
Vorige scan Volgende scanScanned page
141
Loopt de sloot weer vol, dan ontspruiten uit den bodem
weer nieuwe takken. Deze planten zijn zoo voorzichtig, zich
niet geheel en al bloot te geven — hun eigenlijk lichaam
zit in den vochtigen modder geborgen en wacht daar gelaten
betere tijden af. Graaft ge een slootbodem om, dan vindt ge die
stengels of wortelstokken gemakkelijk. Ze blijven soms heel lang
hun levenskracht behouden; wanneer jaren na de uitdroging
door de een of andere oorzaak de sloot weer vol komt, ont-
wikkelen ze onmiddellijk weder bebladerde stengels en
bloemen. Houdt de droogte heel lang aan, dan moeten ze
eindelijk sterven, of ertoe overgaan eene andere leefwijze
aan te nemen en landplanten te worden.
Dit laatste is echter slechts weinigen mogelijk; wel zijn
er planten genoeg, wien het tamelijk onverschillig lijkt te
zijn of ze al dan niet in 't water staan — riet, blaartrek-
kende boterbloem, waterkers, veldkers — maar dat zijn
toch eigenlijk allemaal echte landplanten, die tegen wat
vochtigheid kunnen. Of ze in 't water zijn of niet, brengt in
hun uiterlijk geen verandering te weeg.
Maar ga nu nog eens in .Juli of Augustus met mij uit
waterplanten zoeken — misschien vinden we de zeer ver-
langde kroosbloempjes dan ook nog — dan zal ik u nog
eens een merkwaardig plantje laten zien. We behoeven niet
veel breede slooten af te zoeken — vooral als het water
niet al te brak en vuil is, of we hebben het gevonden.
Plat op het water drijven een aantal spits ovale bladeren
(8 a 9 cM. bi) 3), wel gelijkend op die van het drijvend fontein-
kruid (de theeblaren), maar smaller en spitser, geel groen
van kleui'. Te midden van die bladeren verheffen zich een
(IM. hoog eenige rijkbloemige, rozeroode aren, allerliefste
bloemetjes — waar ook nog wel iets aan te bekijken valt.
We zullen maar eens probeeren, zoo'n plant machtig te
worden. Ze groeit ver van den kant, dus de haak moet