Boekgegevens
Titel: In sloot en plas
Auteur: Heimans, E.; Thijsse, Jac.P.
Uitgave: Amsterdam: Versluys, 1895
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-251
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204398
Onderwerp: Biologie: zoögeografie, zoö-ecologie, Biologie: plantengeografie, plantenecologie
Trefwoord: Waterplanten, Waterdieren
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   In sloot en plas
Vorige scan Volgende scanScanned page
127
van zijn takken altijd boven water nit, en alsof het die uit-
einden nu lichter heeft willen maken, zijn de fijnverdeelde
groene bladeren vervang(!n door heele kleine blaadjes, in
wier oksels de bloemen staan, bovenaan de stuifmeelbloe-
men, onderaan de stampers.
Dat begint al heel wat op bloeien te gelijken en de aar
is mooi ook: de helmknoppen hangen te wiegelen aan heel
dunne draadjes; ze zijn rood zoolang ze nog niet open zijn,
dan heldergeel. Voordat ze opengaan zijn ze beschermd door
vier fraai karmijnroode blaadjes, maar die vallen heel spoe-
dig af.
Nu we eenmaal de bloeiaren van duizendblad gevonden
hebben, zien we nog meer andere aartjes boven water uit-
steken. Haal er met de vork een paar naar u toe, er valt
weer iets aan te bekijken, we hebben nog wel den tijd —
de zomerdagen zijn lang. — (Hj moet rukken, de plant zit
in den bodem vastgeworteld. - Knap! daar hebben we een
tak. Donkergroene, bruinachtige bladeren zitten op ver-
schillende hoogte aan den stengel. Die bladeren zijn niet
vlak, zooals gewoonlijk, maar over hun geheele oppervlakte
gegolfd, het meest aan de randen. De bloeiaar komt uit
een van de bovenste bladoksels, en bevat eene menigte
bloemen, dicht op elkander. Deze plant heet Potamogeton
crispus (gekruld fonteinkruid). Er zijn in onze slooten nog
vele andere fonteinkruiden te vinden, waarvan wij eene, die
wel het meest voorkomt, ook op de gekleurde plaat hebben
afgebeeld. Dat is het drijvend fonteinkruid (P. natans), dat
zeer welig groeit, zoodat soms slooten en vijvers er geheel
mee bedekt zijn. Dan is de sloot vol „theeblaren« zeggen
de jongens. Op 't eerste gezicht lijkt het wel, of de bovenste
stamperbloemen zijn. De onderste hebben meeldraden, vier,
die in hun dikke helmknoppen overvloedig stuifmeel hebben,
maar middenin bevindt zich ook een stampei', of eigenlijk