Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
84
tlei- ijverig of minder bekwaam onderwijzer, indien hij
eens in 't geheel niets van die algemeen - nuttige kun-
dighoden in zijn onderwijs opneemt, zich niet daarme-
de kunnen verontschuldigen, dat hij te veel tijd aan
het grondig onderwijs van de noodzakeljke leervakken
heeft moeten besteden?
§. 64.
Doch wij moeten zoodanig leerplan ook nog in des-
zelfs gevolgen nagaan en beoordeelen. Ondersteld, dat
die onderwerpen van onderwijs, welke uit de leer der
natuur of des mensehen zijn ontleend, met al da
daarbij passende hulpwetenschappen en daarmede za-
menhangende onderwjjzingen, volledig en in de bijzon-
derheden omschreven en voorgeschreven zijn en wer-
kelijk onderwezen worden; blijft dan toch niet de
belangrijke vraag overig, of de leerling, langs dien
weg, ook de vereischte kundigheden voor het leven
zich inderdaad eigen maakt? Vordert de beantwooi-ding
dezer vraag dan eene bijzondere opvoedkundige scherp-
zinnigheid, of is daartoe niet het inzigt voldoende
van ieder verstandig mensch ? Zal en moet het niet
klaar en duidelijk worden voor ieder, die zich den
schooltijd en de jeugd (van het zesde tot het dertien-
de jaar) voor den geest brengt, dat, wanneer dezel-
ve dien overvloed van leervakken in dot tijdvak zich
moet eigen maken, zij daarvan toch geene wezentlijke
kennis kan verkrijgen; want, wie boven zijne krach-
ten en te veel moet leeren, die leert voorzeker in 't
geheel niets.
§. 65.
Indien het schoolwezen, hij de ondoeltreflFende en
gebrekkige bepaling en vaststelling van de onderwer-