Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
79
maatschappelijke welvaart voortbrengen, bij gevolg liet
algemeen geluk bevorderen. — Anders begrepen, kan
het, met welken levendigen ijver het moge behartigd
worden, onheil stiehten.
Of nu deze voorwaarden bij het nieuwere schoolwe-
zen in Duitschland worden aangetroft'en, dit zullen wij,
punt voor punt, in overweging nemen.
60.
De eerste voorwaarde is, dat de werking van het
schoolonderwijs in betrekking tot deszelfs doel juist be-
grepen en volgens een bepaald beginsel in deszelfs gang
geregeld worde. Waar vindt men nu in ons Duitsch
Vaderland bewijzen, dat deze voorwaarde vervuld wordt?
De Vorsten mogen de warmste en best gemeende
wensehen koesteren voor de gepaste opleiding en be-
schaving van hun volk; de Ministers van de voortref-
felijkste hierop doelende gezindheden bezield, en door
een juist en naauwkeurig inzigt in het ware wezen
dezer zaak geleid worden; indien hun echter daarbij
geene raadslieden en ambtenaren, die doorzigt bij zaak-
kennis voegen, behulpzaam zijn, dan kunnen onmoge-
lijk de verkwikkelijko vruchten van een gewenscht
schoolwezen zich vertoonen.
Uit de hiermede in verband staande verschijnselen
dringt echter de bedroevende gevolgtrekking zich bij
ons op, dat er gebrek is aan zulke raadslieden en
ambtenaren, ten minste, dat zij, die thans werkzaam
zijn, het ware beginsel, waarop het schoolwezen moet
rusten, niet behoorlijk begrijpen. De gronden voor
deze gevolgtrekkingen zijn duidelijk op te merken in
de hiervoren reeds afgekeurde groote verscheidenheid
van plannen en verordeningen voor de in - en uitwen-