Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
fi2
tegen de Tarquiniërs, Pisistraten of Caemns gerigt
waren ?
S- 48.
Hetgeen echter de droevige gevolgen van een streng
philanthropisch onderwijs vermeerderde, is het gebrek
aan Godsdienstige opleiding bij de instellingen van on-
derwijs.
De Philologie heeft door haren overwegenden invloed
lich de bevoegdheid aangematigd, om te bepalen, aan
welke door anderen voorgeslagene geleerde kundigheden
de eer kan worden toegestaan om als voor\verp van
onderrigt in een Gymnasium te wórden opgenomen, en
hoe veel uren aan het een of ander van de bedoelde
onderwerpen kan toegestaan worden. Deze eer werd
dan ook aan het onderwijs in de Godsdienst bewezen.
Desniettemin werd aan haar, die de voornaatnste ge-
leidster is der ware beschaving, slechts een gering
plaatsje in het leerplan aangewezen, ja in meer dan
één dier voorschriften een zoo nietsbeduidend plaatsje
met opzigt tot den tijd, dat de Geestelijken daar-
over luide klagten aanhieven en door hun klagen
eene vermeerdering van daarvoor bestemde uren be-
werkten.
Het slimste, dat ten aanzien van deze verhouding
der Godsdienstleer ten grondslag ligt, en van de Phi-
lologen zoo min als van de Geesteljjken behoorlijk wordt
begrepen en ingezien, is, dat de Godsdienstleer enkel
als een vooncerp van onderwijs voorkomt, hetwelk bij
het philologisch onderwijs, mn zoo te zeggen, maar
wordt toegelaten. Om nu niet te gewagen van het
gebrek aan invloed op de ware beschaving door mid-
del van het opwekken en verheflfen van Godsdienstige