Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
Het is eene opmerking van groot belang, dat de
jeugd, vooral het meer vlugge gedeelte derzelve, door
eene onwederstaanbare geestdrift wordt aangevuurd om
zieh te onderseheiden, en, zonder duidelijke begrippen
van de ware onderscheiding, bijna uitsluitend geleid
wordt door de voorstellingen van het ongewone, of zeld-
zame , of in het oog loopende. Om die reden behoorden
onderwijzers der oude talen, als paedagogen, boven al
er op uit te wezen, om bij hunne kweekelingen ge-
zonde begrippen van de ware onderscheiding in het
leven te vestigen, ten einde hieraan, als ware het
als idealen, de in de klassieke schriften voorkomende
voorbeelden vergelijkend te toetsen en te onderzoeken.
Indien dit paedagogisch voorschrift in het Gymnasiaal
onderwijs ter harte genomen en gevolgd ware gewor-
den , wij zouden dan voorzeker in onzen leeftijd niet
de treurige verschijnselen hebben moeten waarnemen,
dat misdaden gepleegd werden met het doel om naam
te maken.
Wij zullen die verschijnselen niet nader aanwijzen,
alzoo 't, helaas, bedroevende voorbeelden waren van
jeugdige afdwalingen ■, maar wij willen ons dezelve uit
dien hoofde voor den geest brengen, omdat ons hier
en ginds, waar wij onze blikken rigten, helden van
den geioaanden Duitschen vrijheidsstrijd, als navolgers
van de zoo zeer bewonderde Gnieken en Romeinen, voor
oogen komen.
Dc verbindtenissen, welka onze Duitsche jongelingen
later op de Hoogescholen aangingen (want de vroe-
ger geslotene waren welligt niet veel meer dan on-
schuldige vereenigingen van jeugdige betrekkingen),
wat waren zij ajiders dan navolging van die, welke