Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
genpartij aan, en gaven aanleiding tot een ander voor
de opleiding tot de studiën hoogst nadeelig en erger-
lijk tijdvak, dat, namelijk, van de gestadige verandering
der schoolreglementen, niet enkel in Beijeren, maar ook
in de overige gedeelten van Duitschland; een tijdvak,
hetwelk, helaas! deszelfs einde nog niet nabij schijnt
te zijn.
§■ 46.
Intusschen mag aan de Humanisten de verdienste
worden toegekend, dat zij de overtuiging tamelijk al-
gemeen maakten: dat de studie der oude klassieke talen
den grondslag van de Gymnasiale opleiding behoort uit
te maken. Indien zij nu evenzeer Wijsgeeren en Opvoed-
kundigen, kenners van de geschiedkundige ontwikkeling
der menschen en volken, kenners van de behoeften en
eischen van hunnen eigen' leeftijd waren, zij zouden
voorzeker in staat wezen tot het ontwerpen van voor-
schriften voor de inrigting van zulke scholen, door
welke aan de behoeften van den tijd en van de jeugd
zou worden tegemoet gekomen. Maar dat zijn zij in
den regel niet. In den regel, zeggen wij; want wij
verlangen geen blaam te werpen op de vereerenswaar-
dige uitzonderingen, welker namen hier niet worden
genoemd, ten einde hunne bescheidenheid niet te kwet-
sen. Het bewijs voor onze stelling ontleenen wij niet
enkel uit hunne plannen en ontwerpen voor de in-
rigting van scholen, maar ook uit hunne philologische
schriften. Hoe zeer mangelt 't b. v. niet aan logische
juistheid en consequentie in de meest geroemde spraak-
kunsten! Welk gebrek aan duidelijkheid in de ont-
wikkeling hunner regelen! Welke grammatikale angst-
valligheid in het ontleden van uitdrukkingca en spreek-