Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
braafilenkendeu en wclgczinden als slaven, als hui-
chelaars, als lafaards gehoond worden, en het volk,
menigwerf onverholen, aangewakkerd wordt tot het
verbreken zijner kluisters.
§• 27.
Uit dit alles vloeit het onmiskenbare bewijs voort,
dat hier een onverdelgbare geest- heerschend is, die,
zoodra hij op de eene plaats is verdreven, op eene
andere weder onverwacht te voorschijn komt. Hij doet
zich voorts kennen uit de voortbrengselen van zijn wer-
ken, dat hij een geest der verleiding is, want hij
werft zijne aanhangers niet alleen uit alle standen aan,
maar bedwelmt de krachtigste gezellen tot dolwordens
toe, en vervoert niet zelden de bestgezinden tot de
grootste euveldaden, sluipmoord en openbaren doodslag
van onschuldige medemenschen, zonder eenig gevoel
van het strafwaardige hunner gruwel- en schanddaden
te doen blijken, zonder vrees voor den regterstoel der
Godheid, de uitspraak der rede of der geregtigheid,
zonder schroom voor kerker of schavot.
§■ 28.
Voorzeker moet het hart van den mensehenvricnd
bloeden, wanneer hij tot de ontzettende ontdekking
komt, dat eene reeds tot zekere rijpheid gekoraene
jongelingschap, op wier bekwaamheid het Vaderland
de hoop heeft gevestigd, dat deze ten nutte van het
algemeene welzijn zal worden gebezigd j dat onder zul-
ke jongelingen, zeg ik, gevonden worden, die, als
afechuwelijke misdadigers, in een' geheimen en open-
baren Moedigen strijd tegen onschuldige medemenschen
zijn gewikkeld en daaraan werkdadig deelnemen j maar
het hart wordt eerst met ouuitsprckelijken weemoed