Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
ten en behahe het j];o(]sdien8(i{f onderwijs, in lezen,
sehrijven en rekenen (werktuigelijke bekwaamheden)
bestaande, uitmaken ? Of denkt gij, dat de leesoefenin-
{yen mot aan merk injjen voor het werkdadijje leven, of
rrrsnmelingcn van opgegeven en opgeteekende zedekundige
en godsdienstige spreuken den ontluikenden mensch voor het
leren zullen kunnen vormen? Of wilt gij dit beperkte
onderwijs door het mededeelen van uwe algemeen - nuttige
kundigheden aanvullen, als of de kennis van het ware
leven in de verspreide kennisneming van de Natuur, den
Mensch en de yiarde bestond? Of kunt gij u door het
gevoelen laten misleiden, dat dit gebrokkelde onderwijs
voor verbetering vatbaar is ? Waarin en hoedanig zult
gij het verbeteren, daar gij het er niet eens over ééns
zijt, waarin de cénig-e en alzijdige kennis van het le-
ren wel bestaat? Hoe kunt gij verbeteren, daar gij niet
rerkiest in te zien, dat tot een vrnchtbaar onderwijs in
de kundigheden, voor het leven dienende, ook maar eene
manier van ondet wijzen de regte kan zijn om dit onder-
rigt te geven? Immers houdt gij elke op zich zelre
slaande manier ran ondencijzen ran de bijzondere leer-
vakken voor eene methode van onderwijs, en neemt gij
aldus even zoo vele leenoijzen aan, als er ran derge-
lijke manieren van leeren en behandelen, onder de be-
kende benamingen, als waren 't handgrepen bij een
of ander ambacht, worden aangeprezen. Doch, vol-
gens welk beginsel verklaart gij geen enkel derzelve
voor bij uitsluiting goed en boren alle anderen de voor-
keur verdienende ? Op welken grond geeft gij dc aanbe-
veling , om ze allen te leeren kennen ? Is het, omdat
gij aan allen iets goeds vindt, en verlangt, dat dé on-