Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
321
§. 228.
Indkai nu theoretisch eu pi-actisch bewezen ie, dat
de methode van onderwijs voor het leven de gewensch-
te vruchten voorbrengt, en, naar behooren gebezigd,
moet voortbrengen; dan ontstaat eene andere voorname
waagi Op welke wijze kan de vereischte vorming der
onderwijzers voor het verder in werking brengen der
methode werkstellig gemaakt worden? Het antwoord
hierop maakt uit de tweede hoofilvoorwaardo van de
algemeene verbreiding der methode.
§. 262.
De tweede hoofdvoorwaturde voor de verbreiding der
methode van onderwijs voor het leven is deze: De
bestuurders der kweekscholen van onderwijzers moeten,
zeiven daarmede volkomen vertrouwd, hunnen leerlin-
gen daarvan eene zoo klare theoretische en practische
kennis doen erlangen, dat zij zonder zwarigheid hun
eigen schoolonderwijs volgens die verkregene kennis in
staat zijn in te rigten.
Hoedanig dit voorstel tot uitvoering te brengen zal
zijn, mogen nu andere kenners van het onderwijs uit-
voeriger voordragen.
ge regt nuttige aanwijzingen te geven; maar mogen t^ te-
rekend geacht worden voor de taak, om kweekelingen eener
hoogere instelling van onderwijs behoorlijk te vormen?? —