Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.332
neer de onderwijzer der voorafgaande klasse hem de
leerlingen niet behoorlijk bekwaam gemaakt toestuurt,
alzoo zij dan met de vroegere levensbetrekking niet
vertrouwd zijn.
d.) In Landen, in welke leden van het burger-
lijk Bestuur deelnemen aan het toezigt over de scho-
len, is door de invoering van de methode ook aan
dezen de gelegenheid aangeboden, om den voortgang van
het onderwijs gade te slaan; want, indien in elke
klasse het onderrigt voor het leven, en wel in opzigt
tot de levensbetrekking, van welke eene klasse de
noodige kennis erlangen moet, wordt gegeven, dan
kan ook ieder ambtenaar onderzoeken, of en met welk
gevolg de onderwijzer zijne methode heeft toegepast.
Gansch anders staat het geschapen met scholen, in
welke enkel eene mededeeling van kundigheden, zon-
der bepaalde betrekking op een of ander, en zonder
behoorlijk aangewezene grenzen voor iedere klasse,
wordt gegeven, bij welke dus geen burgerhjk ambte-
naar kau weten, hoe vele en welke kundigheden de
underwijzer voor een . of ander tijdperk van het on-
derwijs den leerlingen had behooren mede te deelen.
Immers kan van gewone burgerlijke ambtenaren niet
gevergd worden, dat zij ook alle leerboeken over na-
tuurlijke geschiedenis, natuurkunde, aardrijkskunde,
gesehiedenis en spraakkunst, uit welke een onderwij-
zer de stof voor zijne in het onbepaalde loopende me-
dedeelingen ontleent, steeds zal beoefenen, en naauw-
keurig afmeten, hoe ver de onderwijzer eigenlijk had
moeten gevorderd zijn; maar zeer goed kan zulk een
ambtenaar beoordeelen, welke kennis van het ge-
wone leven in eene klasse behoort, welke ten aan-