Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.293
dit tweeledige gezigtspunt zoowel het doeleinde als
de grenslijn van haar pogen aangewezen, cn tevens
ook de wijziging van hare ontwikkeling, opdat, bij
het verder voortzetten van het onderwijs, hetzelve niet
ontaarde in een onnut geleerd onderwijs, en daardoor
welligt schadelijk worde.
239.
Overeenkomstig de voortgaande ontwikkeling, veijst nu
de methode den leerling op do naastbijgelcgene en
tot Duitschland behoorende landen, en spoort hem aan,
daarover zijn oordeel te zeggen (want op den hier be-
doelden trap van vorming wordt meer bijzonder werk
gemaakt van de oefening van het vermogen om te
oordeelen): of er geene gelijksoortige vereenigingen,
en mitsdien bijzondere Rijken en Staten, zullen hcr
staan.
Even als deze naar de op de kaart door onderschei-
dene kleuren aangewezene grenzen zijn aangeduid,
zoo ontstaat de vraag: in welk verband deze ons om-
ringende Staten met ons staan, en, ten einde deze
vraag regt gepast te beantwoorden, leidt de methode
den leerling tot de geschiedenis van Duitschland. Uet
spreekt echter van zelve, indien men, namelijk, nog
eens terugziet op de beide hiervoren uitgedrukte
eischen, dat de leerling wel tot de oude geschiedenis
van Duitschland moet worden teruggebragt, maar
niet in dezelve rondgeleid, dewijl hij dc oude Duit-
sehers in hetgeen zij eigenaardigs bezaten, en wel
üizonderheid in hunne roemrijke nationale voortreüe-
hjkheden, moet leeren kennen, tot het vasthouden van
welke eene soort van pligtgevoel ons aanspoort; en
nu zal hij Duitschland leeren kennen als eene gemeen-