Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.287
{jrooter inkomen geniet? — En nu stelle men zich cenu
voor den geest, welli een' kostbaren en aanzienlijken
staat do Koning te voeren heeft! — Gij ziet het en
hebt het reeds gezien, welk een leven de groote bee-
ren leidenj zij houden rijtuigen cn paarden, hebben
koetsiers en andere bedienden noodig, zij verschaffen
zich genoegens met eene betere tafel, met spel, dans,
met rijden, varen en ter jagt gaan; en mogen wij
zulks onbillijk vinden ? Genieten ook niet geringere
menschen, die niets voor den Staat verrigten, dezelfde
gemakken, uitspanningen en vermaken, een ieder naar
zijn vermogen en op zijne wijze ? — Ja, noodzakelijk zijn
zij voor de meer aanzienlijken j want, welke inspanning
van geest vordert toch niet hunne betrekking! Kun-
nen er, als men dit overweegt, nog zulke onkundige
of onregtvaardige menschen zijn, die op de levenswijze
der Grooten smalen? Zal daarom ook niet ieder wel-
denkend mensch dit beter en genoegelijker leven iu
ruime mate den Koning toewenschen ? Maar nu over-
wege men ook eens, welke sommen daartoe noodig
zijn. Reeds bij het bespreken van ons leven in het
District, hebben wij het erkend cn ingezien, dat wij
allen, voor wie de Koning met al zijne dienaren,
raadslieden en mindere ambtenaren zoo uitnemend en
weldadig zorgt, dc daartoe noodige kosten moeten bij-
eenbrengen. Maar nu ontstaat de vraag: Wie zal ze be-
rekenen? Wie zal bepalen, op welke wijze de gelden
zullen opgebragt worden? Wie zal den aanslag vaststellen,
door ieder ingezeten volgens zijn vermogen op te bren-
gen? Wie zal dc ambtenaren aanwijzen, door wie alles
zal moeten ingevorderd en overgestort worden? enz. Ook
hier de Koning alleen? Heeft hij daartoe niet insgelijks