Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.286
§. 234.
Wij geraken nu aan het einde van de besehouwing
van onze Staatsinrigting. Dc zamenvatting van het be-
handelde geschiedt in korte trekken. De vraag is nu:
hoeveel al die Ministeriën den Koning wel mogen
kosten? Alle noodige uitgaven, zoo aan de ambtena-
ren, als aan gebouwen en meubelen enz., worden uit-
een gezet. Hebben wij nu wel de som van al de daar-
toe vereischte kosten behoorlijk berekend en leeren
kennen? Wij dachten slechts aan de Ministeriën van
den Staat, en aan den persoon des Konings hebben
wij niet gedacht! En behoorden wij niet in de eer-
ste plaats aan onzen Koning te denken ? Moet Hij,
die al die groote zorgen voor ons op zich neemt, en
voor alle de daarbij gebezigd wordende personen naar
verdienste de ambtsinkomsten en belooningen be-
paalt , opdat zij met hun huisgezin kunnen bestaan,
dan ook voor Zijn eigen Huis niets erlangen ? — Daar-
op Neen te antwoorden, zouden wij hoogst onregtvaar-
dig, hoogst onzinnig, ja afschuwelijk oordeelen. Her-
innert gij u niet, dat, toen wij de inrigting van een
Kantons - gerigt leerden kennen', en het opmerkten en
erkenden, dat de ambtenaren, als mannen, die zoo
veel geld voor hunne studiën hebben moeten uitgeven,
en in hun ambt uitsluitend voor de ingezetenen moeten
leven, een toereikend inkomen verdienen, opdat zij een
kommerloos en fatsoenlijk leven zouden kunnen leiden,
zoodat hun geest de vereischte vrijheid en opgewekt-
heid behouden kan? Gaan wij nu eens de hoogere
ambtenaren en Ilaadsheeren na, tot aan de Ministers
toe —; is het nu niet redelijk en billijk, dat ieder,
naarmate hij hooger staat, een daarmede geëvcnredigd