Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.282
dc door Christus tot Jielzclfdc doel ingestelde genade-
middelen toe te dienen. — Hoe noodzakelijk voor ons
leven is derhalve niet de Geestelijke stand; en van
hoe veel aanbelang is niet de zorg, dat er steeds
Geestelijken in genoegzaam getal aanwezig zijn, en
dat zij ook een behoorlijk bestaan genieten. Wie zal
deze hoogst gewigtige zorg op zich laden? Wie an-
ders al weder, dan de Koning?
Nu hebben wij de inwendige belangen van ons Land
leeren kennen; zij zijn uitgebreid en veelvuldig: moet
en vermag de Koning dezelve alleen en voor zijn'
persoon op zich te nemen, en welke hulp heeft Hij
daartoe weder noodig? Vast ook weder een Ministerie.
Het Ministerie der Binnenlandsche aangelegenheden —
het Ministerie van Binnenlandsche Zaken.
Wij hebben nu den Koning, als Regent cn Lands-
vader, bij dit Ministerie inzonderheid, als een' waren
weldoener voor ons gelukkig leven leeren kennen in
de velerlei inrigtingen, gestichten en beschikkingen;
maar het weldadige zijner Regering is daarmede nog
niet volledig voorgesteld. Wij zullen, onze beschou-
wing over ons leven verder voortzettende, nog twee
belangrijke Ministeriën leeren kennen.
233.
Toen wij hiervoren 203) de voorwaarden van
het gemeenschappelijke leven in eene regterLjke af-
deeling leerden kennen; wat hielden wij wel voor vol-
strekt noodzakelijk? Antw. De aanwezigheid eens —
Regters. — Wij bevroedden, dat de menschen in dc
zamcnleving niet zelden door hunne baatzucht zich la-
ten verleiden om met elkander in twist en tweedragt
tc geraken, en zich niet weder willen verzoenen,