Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.266
■uitbrengen vau zijn gevoelen, of hier, op deze minto'
re woonplaats van die talrijkere gemeente, de eenvou'
dige inrigtingen van bestuur, welke voor de vooraf be-
schouwde kleinere toereikend waren, aan (Ie behoefte
zouden beantwoorden, ten einde de gewensehte veilig-
heid, orde en welvaart te vestigen en te verzekeren.
De voorwaarden ter bereiking van deze bedoelingen zich
weder uit het vroeger besehouwde gemeenteleven
te binnen brengende, zal de leerling ongetwijfeld een
ontkennend antwoord geven. Zijn antwoord geeft even-
wel aanleiding tot zoo vele op de voorstelling van
deze nieuwe levensbetrekking slaande opmerkingen,
dat ten slotte de leerling alle de overigheden en ambte-
naren, met de ondergeschikte hulppersonen, welke het
bestuur uitmaken, van zelve als noodig erkent, zoo-
dat de onderwijzer daarbij niets anders te doen heeft,
dan der zaak steeds den passenden naam te geven,
en zoo veel mogelijk ook op deszelfs ware beteekenis
aan te houden.
Welke stemming tot hoogachting, bescheidenheid en
volgzaamheid nu ook weder opzigtelijk die besturen
en hunne verordeningen in het. gemoed des leerlings
moet opgewekt worden, laat zieh zielkundig denken;
maar dit kan men zich niet zoo voorstellen, dat de-
ze loffebjke stemming, vooral wanneer zij door het
godsdienstig onderwijs wordt bevestigd en geheiligd,
zich te huis niet zelden onderrigtend en beschamend
voor de volwassenen —, ja zelfs voor de ouders, ken-
baar maakt.
215.
Gelijk nu ook in dezen levenskring de leerling zich
zeiven het gansche burgerlijke en zedelijke levenson-