Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.263
ill de verliehtiiigsscholeu meer uitgebreid gegeven wor^
dend onderwijs.
Heeft men er zieh ooit een ander van gevormd —
indien men dan al eenig doel op het oog had —,
dan dat de kennis van do aardrijksbeschrijving behoor-
de tot de beschaving, welke de school moest mede-
deelen, Avilde men op hoogere vorming aanspraak ma-
ken; of wel, dat zij behoorde tot de behoeften van
dezen en genen burgerlijken stand, bij voorbeeld, voor
het reizen der handwerkslieden, of voor dat van de
kooplieden? Even als bij het tot dusverre gebruikelijke
onderwijs het idee van de vorming des menschen, als
doel van het onderwijs, onbekend was, zoo had het
ook maat noch doel in de uitgebreidheid, welke men
er aan gaf, en bleef het voor de zedelijke vorming
van het leven geheel zonder vrucht. Want men leer-
de de grenzen van een land, dezelve op de kaart aan-
wijzende ; men leerde steden en andere belangrijke
plaatsen, het getal der inwoners, hunne godsdienst,
hun' regeringsvorm, de physieke gesteldheid des lands,
der bergen, rivieren, zeeën, voortbrengselen enz.
Maar waartoe mag zulk een groote voorraad van bij-
ïondere opgaven omtrent de algemeene kennis van de
verschillende landen voor den leerling eener lagere
school wel , van nut wezen? Wordt integendeel de
tijd en do jeugdige kracht des leerlings niet nutteloos
verkwist door het leeren en onthouden van al die za-
ken? Maar men zal zich nog wel de verdere opmer-
kingen te binnen brengen, welke reeds in de hiervo-
ren voorkomende beoordeeling van het schoolonderwijs
met betrekking tot dit leervak zijn gegeven. Hier zal
ïtien er dus niet verder over nitwcidcn, raaar er al-
19