Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
263
nog met opzigt tot een voornaam hoofdpunt, de Spraak-
leer , voorstellen, ten einde regt bepaald aan te toonen,
dat de methode ook — voornamelijk met betrekking
tot dit onderwerp, streng consequent het onderwijs
voor het leven in het oog houdt.
In de vroeger behandelde levensbetrekkingen werd
de leerling tot de kennis geleid van eene door schrijf-
teekens uitgedrukte spraak, liet komt er nu op aan,
te bewerken, dat hij in het gebruik van dit middel
van gezellig verkeer ook de vereischte oefening ver-
krijgt, alzoo hij weldra in dien levenskring wordt over-
gebragt , in welken de geoefendheid en practische toe-
passing van de verworvene kundigheden noodzakelijk
wordt.
De inleiding tot deze oefening wordt den leerling op
die wijze bekend gemaakt, dat hij gebragt wordt tot
de kennis van de noodzakelijkheid, om de mondelinge
taal juist te gebruiken, dat wil zeggen, ieder woord
naauwkeurig uit Ie spreken, dewijl anders ons sjire-
ken deszelfs bedoeling zoude missen. Voorbeelden van
verkeerd uitgesproken worden, die dan verbeterd wor-
den, moeten het öangewezcne inzigt te hulp komen.
Daaruit vloeit nu ook voor» het juist schrijven de ge-
volgtrekking voort, dat^men bij het schrijven er naauw-
keurig op moet letten, dat juist die teekens bij het
voorstellen van een voorgezegd woord gebezigd wor-
den , welke aan dc bewegingen en plaatsingen van den
sprekenden mond beantwoorden.
Ilicruit moge men zich nu een denkbeeld maken
van het aangename en vormende onderhoud, hetwelk
de onderwijzer, bij de veortgezctte oefening, met den
leerling hebben kan.