Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.248
met gevoelens van den hem bindenden eerbied ver-
vult, om die rigting te volgen.
De leerling wordt namelijk van uit het huis in dc
vrije lucht gebragt. Hij ziet hier de vereeniging van
meerdere familiën, en hij moet zelf de noodzakelijkheid
inzien van de vereeniging van allen tot eene enkele.
Stad of dorp staat nu als gemeenschapebjke woonplaats
voor zijn oog. De kennis derzelve is hier, uit hoofde
van het wederkeerig verband, hetwelk tevens mede
in de oogen valt, nog noodzakelijker dan die van de
vorige woonplaats; maar de bijzonderheden van de
eerstgenoemde komen hier alleen in breedere trekken
voor. Gangen^ b. v., worden straten; in plaats van
den huistuin, verschijiU de gemeente - weide enz. De
blik in dezen kring verruimt ook tevens de ken-
nis van de natuurlijke geschiedeni« en der natuurkun-
de. De beschouwing van de wederkeerige verwerving
der levensbehoeften brengt voornamelijk tot de behoefte
cn de noodzakelijkheid van de Overigheid, en op de
verdere aanvulling en volmaking van de begrippen
van regt, van verpligtingen, van schuld en van straf-
baarheid.
Dit begrip leidt natuurlijk weder terug tot de vroe-
ger reeds opgedane kennis van den mensch, welke
nu opkUnit tot het begi-ip van den geest, en uit de
nu meer uitgebreide begrippen aangaande den mensch
in de vereeniging vloeit het gevolg voort, dat het
tezamenleven niet slechts voor het uiterlijke overeenkom-
stig het regt, maar ook voor het innerlijke liefdevol
moet wezen. De begrippen van schuld cn strafbaar-
heid, gelijk van de tegenovergestelde, van deugd, waar-
de en beloonenswaardigheid, doen den wensch ontstaan