Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.242
mende juistheid der kundigheden hunner kinderen
zich lieiiuelijk beschaamd gevoelende, tot een beter
inzigt en betere stemming worden teruggebragt.
Dat kinderen in 't algemeen eenen zoo belangrijken
invloed op dc volwassen menschen zouden uitoefenen,
kan welligt menigeen, die dc betrekking der kinder-
wereld tot die der volwassenen niet kent, als eene
kleingeestige, of zelfs wel belagchelijke, aanprijzing
van de zaak toeschijnen; doch dezen kennen, naar
het schijnt, ook de verklaring niet van zekeren aanzien-
lijken Romein: dit kind regeert Rome.
§. 196.
Wij hebben nu de ware methode van het aanvan-
kehjke onderwijs in hare belangrijke en weldadige werk-
zaamheid in het eerste gedeelte van dc ontwikkeling
des levens, te weten door middel van de volkomene
elementaire kennis van het familie - leven, voorgesteld,
en men zoude nu de hoop mogen voeden, dat ieder,
die deze voorstelling door de vier trappen van oefe-
ning met behoorlijke opmerkzaamheid volgde, haar
des te eerder zijne toegenegenheid zoude schenken,
wanneer hij niet alleen de geldigheid der beginselen
leest, door geleerden opentlijk aangeprezen, waarop de
methode steunt, maar ook de uitkomsten verneemt,
welke de toepassing der methode reeds op deze eerste
trrappen teweegbrengt. Intusschen is het aan dit beproef-
de methodische onder\vijs nog niet gelukt het oude
te verdringen, en zich, hetgeen, volgens het oordeel
van alle kenners, toch zal en moet geschieden, al-
gemeen te verspreiden. Aan een ieder toch, die een
wezentlijk belang stelt in de vorming der jeugd, moet
zich de vraag opdringen, welke, zoo als boven reeds