Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
e»t sterkte, de onverwoestbare wortel van opkomst en
bloei, en alzoo de steeds rijker vlietende bron der open-
bare welvaart; loant daar, waar het ontwikkeld ver-
stand en de liefde des volks zich met de wijsheid en
de vaderlijke zorg der regering werkdadig vereenigen,
en de gedachte aan het middelpunt van alle leven het
geheel bekroont, kan niets dan goeds beiden wedervaren
en verheugen.
Doch, waartoe, zal hierop welligt worden aangemerkt,
deze geleerde ontwikkeling en voorstelling van eene bij-
zondere inrigting van onderwijs 7 Bestonden dan niet
sinds eenige eemven de Duitsche Staten in rust en or-
de , ja in. tevredenheid, zonder dat zij schoolinrigtingen
volgens deze geleerde vereischten bezaten, en vindt men
ook niet in den tegenwoordigen tijd Duitsche Staten,
in toelke het schoolwezen met de grootmoedigste onder-
steuning van dc zijde der Staatsregering op het prijzens-
waardigst vooruit gaat en bloeit? Waartoe dient dan
eene zoo overbodige vordering? De eene en andere ver-
keerde opvatting weg te nemen is het doel van dit ge-
schrift.
Menschen en volken mogen het beginsel van gehoor-
zaamheid en gelatene onderwerping als een' onschendbaren
pligt aannemen, zoo lang hunne ontwikkeling nog niet
genaderd is tot het tijdperk, wanneer de oordeelskracht
begint tc werken; zoodra echter deze ontwikkeling van
het verstand heeft veld gewonnen, kan men, indien
niet door verstandige leiding buitensporigheden worden
voorgekomen, ook niet instaan voor dc zekerheid en dc
vastheid van rust en tevredenheid. Uitwendige magt mo-
ge de uitbarstingen der ontevredenheid kunnen tegen-
gaan , daannede is echter slechts op eene ontkennende