Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.230
184.
Wij naderen nu tot het derde en in sommige op-
ligten allerbelangrijkste punt van het elementaire on-
derwijs, namelijk het — taalonderwijs,
In de leerplannen voor de lagere scholen bevindt
zich, .als een van de voornaamste voorwerpen van on-
derwijs , ook het onderwijs in de taal, en voor dit vak
wordt dan steeds een bepaald leerboek, onder den ti-
tel van Spraakkunst, voorgeschreven, of door de on-
derwijzers gekozen en gebezigd.
In dc beoordeeling van de verlichtings - scholen heb-
ben wij het gebreldiige van het taalonderwijs reeds
leeren kennen; hier moeten wij dit gebreklcige, met
het oog op de methode van onderwijs, nog eenmaal
aan onze beschouwing onderwerpen; want het verraadt
de in het oog loopendste onkunde ten aanzien van de
taal, als het voornaamste wesentlijke vormingsmiddel van
den mensch, terwijl het tevens een groot gemis aan-
duidt van het vereischte inzigt in de leer van het
onderwijs, in opzigt tot de doeltreffende behandeling
van dit vak van onderrigt.
De Spraakkunst is den onderwijzeren niets anders dan
een kort begrip van regelen voor het spreken en schrij-
ven, welke den leerling worden opgegeven, om ze
te leeren en bij het schrijven in het oog te houden. Op
deze wijze moet derhalve de leerling zijne moedertaal
even zoo leeren kennen, als degeen, die zich voor
de studie voorbereidt, de Latijnsche of Grieksche taal
moet aanleeren, te weten, door het van buiten leeren
en toepassen der regelen voor het behoorhjk spellen
der woorden en voor grammaticale juistheid bij het schrij-
ven in bet algemeen. Uit dezen hoofde wordt ook het