Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
9
, sluit, en deze weder in een vruchtbaar verband en
overeenstemming staat met de eindelijke opleiding? De
behandeling dezer vragen is voor den Staatsman voorze-
ker door de gebeurtenissen van onzen leeftijd van groot
aanbelang geworden; want bij den tegenwoordigen -toe-
stand en de werkzaamheid der scholen, wijzen die ge-
beurtenissen ons voorbeelden in menigte aan van het ge-
mis aan toare levenskennis en vorming en opleiding voor
het leven.
Wat missen wij derhalve bij het hooge Staatsbestuur?
De duidelijke uitdrukking van deszelfs denkbeelden en
verlangetis in opzigt tot de aanvankelijke vorming, in
verband met die, toelke de voortzetting daarvan, en ver-
volgens de hoogere beschaving, ten doel heeft; om kort
te gaan, een beginsel van onderwijs en een daannede
overeenstemtne?id plan ter inrigting van hetzelve. Dat de-
ze duidelijke uitdrukking ons ontbreekt, zal ongetioij-
feld uit de volgende overweging kunnen afgeleid worden.
De roeping en het streven van het hooge Staatsbe-
stuur kan zeker geen ander doel in het oog hebben, dan
het voortgaand betere bestaan van het geheel in het orga-
nisch harmoniscli tc zamenleven van de verschillende
individu's.
De leden van dit Organismus zijn echter vrije met
verstand begaafde wezens, en het hoogste Bestuur van
den Staat zal nu zijne taak slechts onder die voorwaar-
de volkomen kunnen vervullen, indien die individu's,
als afzonderlijke deelen van het organisch verband, zich
in de zamenleving geioillig schikken en ieder, volgens de
plaats, welke hij in de aaneenschakeling inneemt, zich
getromcelijk van zijne verpligtingen kwijt. Een vrijwer-
hend verstandelijk ivezen zal zich echter tc eerder en