Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.214
liaar beginnen aan des kinds leven, vóór het de school
bezoekt. Zij gaat van de onderstelling uit, welke zij
door de ondervinding bewaarheid vindt, dat het leven
des menschen in deszelfs kindsehheid geen vegeterend
planten - of blind dierlijk leven was, maar zich een
menschelijk leven reeds in zoo verre doet kennen, dat
het zich niet enkel door voorstellingen en begrippen laat
leiden, maar zelfs door opmerkingen en oordeelen bepa-
len. Dit is het belangrijke denkbeeld, hetwelk tot
hiertoe aan de onderwijskundige wereld scheen ont-
snapt te zijn, dewijl de handelingen der onderwijzers
enkel op het bijbrengen van kundigheden en vaardig-
heid in andere verrigtingen uitliepen, en zij nagenoeg
allen bedacht waren op het uitvinden van middelen
ter vergemakkelijking van hun beroep. Moet nu het
onderwijs niet enkel het mededeelen van kundigheden,
maar de vorming voor het leven ten doel hebben; dan
moet het ook tot het bereiken van het ware leven
door de kennis van hetzelve werkzaam wezen. Indien
het nu met den aanvang van het leven zelve niet
begint, en ook niet beginnen kan, dewijl het zich
reeds tot zekere hoogte door eigene beweging en werk-
zaamheid heeft ontwikkeld; zoo kan dcgeen, die het
aanvankelijk onderwijs geeft, niets anders doen, dan
den leerling bij zijn verloopen leven, hoe kort het
dan ook zijn moge, te bepalen, en wel op de hiog-
te, waarop hij des leerlings leven vindt. Hij moet nn
daarbij van de onderstelling uitgaan, dat dit der school
voorafgegane leven niet door het behoorlijke inzigt is
geleid geworden, en, nit gebrek aan de noodige kracht
van wil, zich niet in de behoorlijke orde bewoog.
Hij moet inzonderheid daarom deze onderstelling als