Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
heid, welke enkel Godsdienst (Religion) en Eeredienst
[Cultus) ten doel hadden.
Bij later volgende beschaving, waren wijze Vorsten
er op bedacht, om zoodanige hoogere leerscholen op te
rigten, die wetenschappen omvattende, welke Ministers,
Raadslieden en menigerlei andere Ambtenaren noodig
hebben, ten einde het staatsbestuur de meest heilzame
rigting tc geven; zij stichtten Universiteiten.
Ook deze instellingen ter opleiding hadden een bepaald
doel, en even zoo ook de vermeerdering van leerstoelen,
welke er later voor bijzondere vakken werden bijgevoegd.
Onbegrijpelijk blijft het derhalve, dat geen Regent,
indien hij ook al met welwillende wijsheid zijne op-
merkzaamheid op de lagere, dat wil zeggen: de volks-
scholen, rigtte, zich daarby een op het algemeene wel-
zijn van den Staat. betrekking hebbend doeleinde voor-
stelde; want de ware hoogere kennis, nuttig voor de
staatswelvaart, staat immers in naauw verband met,
en is afhankelijk van de elementaire kennis van het
leven. ,
liet hoogere Staatsbestuur had, naar het schijnt, in
den laatsten tijd dit gewigtig punt bij de edelmoedigste
ondersteuning van het lager onderwijs op het oog. Doch
. de vraag is: heeft het een klaar denkbeeld en levendige
bewustheid van zijne goede bedoelingen, en hij de in-
rigting' van deszelfs hier bedoelde instellingen zijn
voornemen duidelijk genoeg kenbaar genumkt aan hen,
die het moeten verwezenlijken, aan raadslieden, opzie-
ners en onderwijzers? — Heeft het bij de toepassing van
hetzelve ivel de volstrekt vereischt wordende trapswijze
opeenvolging van het onderwijs voorgeschreven, zoodat
de eerste vorniing zich natuurlijk aan do volgende a(fn-