Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.204
oük de noodzakelijke wijziging volgen van de algemee-
ne volstrekt noodzakelijke leervakken voor het leven
der individuen, in verhand met het geheel. Hieruit
vloeit voort de nadere bepaling van het algemeene
voorwerp van onderwijs. Uet is de kennis van het Ie-
ven in de samenleving — gewijzigd naar de maatschap-
pelijke standen. — Hieruit volgt, dat de school voor
het leven twee voorname leerplannen moet hebben,
te weten: een voor het volk, en een ander voor de
hoogere standen.
§. 158. _
Door deze niet te miskennen gevolgtrekkingen is dan
ook hoofdzakelijk het vonnis geveld over het door ons
dus genoemde verlichtings - onderwijs, wijl het geen
acht slaat op het noodzakelijke vereischte, dat het
ware onderwijs de kennis van het leven in gemeen-
schap tot voorwerp hebben moet. Aan dat onderwijs
zijn, zoo als boven bij de beoordeeling van hetzelve
is gebleken, voornamelijk algemeen - nuttige kundigheden
bekend, voor welker aanlcering het niet eens eenen
bepaalden grond aangeeft, dau dien, dat zij algemeen-
nuttig zijn. IJit dien hoofde heeft voor het onderwjs
daarin zoo min eene wet voor derzelver noodzakelijk-
heid, als, en wel veel minder, voor de wijziging der
kundigheden voor de voorname afdeelingen der leerlin-
gen in het organisch verband, eenig geza^, en het
allerminst eene zoodanige voor de wijziging van het
onderrigt ten behoeve van de schoolklassen.
Daarom kan het ook nooit tot een consequent school-
plan geraken, en minder nog tot de kennis eener doel-
treffende methode van onderwijs.