Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.201
kingen (Einflüsse} ket leven der menschen be-
paalt ;
b.) de kennis van den Mensch, met betrekking tot
die inwerkingen der Natuur;
c.) de kennis van God, als het oorspronkelijke be-
ginsel van beide, ten einde den juisten aard
en de wijze te leeren kennen, hoe de mensch,
door middel van de kennis van zich zelven en
van de Natuur, zijn leven met en onder men-
schen volgens den wil van God behoort in te
rigten.
Deze alzoo ontwikkelde grondstelling, welke aanwijst,
waarin het voorwerp van het wezentlijke voor men-
schen passende onderwijs is gelegen, bepaalt teven»
het doel van het ouderwijs ; te weten: opdat de mensch
leere kennen en inzien, hoe hij zijn leven als — mensch
behoort in te rigten en te leiden. Naar aanleiding hier-
van is daardoor tevens de aard en ivijze aangeduid,
hoe dit onderwijs behoort ingerigt te worden, eu het
grondbeginsel ter inrigting en bestiering van dit on-
dervyijs kan dus op goeden grond aangenomen worden
aldus te moeten luiden:
II. Het ondencijs moet zoo worden ingerigt en ge-
geven, dat de mensch de voonoaarden leert
kennen, waarop zijn rcare leven berust, cn den
aard en de wijze inzien, om hetzelve tot zijn
wezentlijk nut te gebruiken.
154.
De gevolgtrekkingen, welke hieruit van zelve gemaakt
kunnen worden, zijn, met opzigt tot I:
A. Een leerplan, hetwelk deze drie voor\^erpen
van onderwijs niet bevat, levert geen volkomen
15t