Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.188
jongelieden, die voor verlicht wilden doorgaan, ont-
trokken zich aan de aandachtsoefeningen, welke de
dusgenaamde verlichting had afgekeurd,- en zelfs de
angstvallig-godsdienstige ouderen van jaren waagdeij
ter naauwernood dezelve opentüjk te verrigten, ten
einde niet wegens aanhankelijkheid aan de oude gods-
dienstige gebruiken gehoond en uitgelagchen te wor-
den.
Bij het gemis aan kerkelijke orde, welke gedurende
dit tijdvak was ingeslopen, moest nu wel de laauw-
heid in het godsdienstige en de aan deze opvolgende
onverschilligheid meer en meer veld winnen.
De inmiddels gesloten Concordaten hebben dit gebrek
in het katholijke Duitschland wel verholpen; doeh,
naardien zij ook de wederinvoering van het bereids in
vergetelheid geraakte koorgezang ten gevolge had, na-
men de verlichten, en die voor verlicht wilden gehou-
den worden, daaruit op nieuw aanleiding, om de
strekking der goedgezinden tegen de nieuwe kerkelijke
inrigting in te nemen, niet bedenkende het uitmun-
tende voorregt, dat in de nieuw opgerigte Kapittels
werd gegeven, welke den bisschoppelijken zetel' door
een eerwaardig collegie met wijzen raad moesten bijstaan
en ondersteunen.
§. 140.
Te midden van deze omstandigheden en godsdienstige
beschouwingen en gezindheden van het katholijke
Duitschland, hetwelk wij ons hier door eenige trekken
uit de geschiedenis van de Godsdienst voor oogen stel-
den, is nu de vraag van hoog en ernstig aanbelang:
of wel van het invoeren van de voormalige buiten ge-
bruik geraakte gedeelten vau de eeredienst en niet tot