Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
17.3
ten erkennende, moeten wij, van pligtgevoel doordron-
gen, on8 de vraag veroorloven: of deae hoogst wijze
maatregel op zich zelven genoegzaam voldoende is, om
het doel te beleihen? f ■ '
§. 126. ï
Eene waarheid is het, dat vele Stndenten, zoo dan
al niet werkelijke leden, dan toch verleide deelge-
nooten van het boosaardig verbond waren, dat zich
ten doel had i gesteld de bestaande staatsregelingen
omver te werpen en de regerende Vorsten van hunne
troonen te jagen. Het is eene waarheid, dat enkelen
zich tot afgrijselijke wandaden lieten vervoeren; waar
is het ook, dat onderscheidenen hunner, ter bereiking
van hunne heillooze bedoelingen, - hoogst verkeerde ver-
bindtenissen hebben aangegaan en tot stand gebragt;
doch het is niet minder waar, dat de meesten onder
hen verblinde dweejiers en geestdrijvers waren, ge-
negen om aan het aangenomen stelsel zich onvoorwaar-
delijk over te geven. Het mag daarom als zeker wor-
den aangenomen, dat elk hunner, even als de heet-
hoofden op het godsdienstig gebied voor hunne zaak,
er op uit is, om proselieten te zoeken en te werven;
derhalve is het eene wijze voorzorg, de Hoogescholen
veilig te stellen, dat niemand, die door deze dwaalleer
reeds is aangestoken, in derzelver streng a%epaald
gebied worde opgenomen, niemand van de nog on-
schuldigen verleide, niemand van de reeds eenigerma-
te afgedwaalden toelate en tot hoogeren graad van
de zoo gevaarlijke orde inwijde, of met een of ander
verbondslid gevaarlijken omgang honde. Wijs zijn daar-
om ook de voorschrifiten, ten gevolge waarvan allen,
die wenschen te worden toegelaten, zeer bepaalde