Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Ifil
van al het positive, ook op het gebied van de Gods-
dienst, de welgezinde ijveraars voor geloof en eeredienst
als met geweld uitdagen, en aldus den rampzaligen
strijd tussehen rationalismus en mystieiamus te weeg
brengen, op welke het gezegde toepasselijk is: pecca-
tur intra Iliacos nmros et extra.
§. 113.
Volgens de uitkomst van het gehouden overzigt en
de beoordeeling van het lager onderwijs (Elementar-
UnterrichtJ, raag dan aangenomen worden, dat het
lagere schoolwezen, in deszelfs drievoudige in tijdsorde
elkander opgevolgd hebbende inrigtingen, op het open-
bare leven ten minste eenen ongunstigen invloed heeft
uitgeoefend, en wel de eerst aangeduide scholen,
dewijl zij den mensch zonder hekendheid met het ware
leven uit de school ontslaan, en hem aan het gevaar
blootstellen, om door kwalijkgezinden verleid en tot het
plegen van allerlei verkeerdheid gebezigd te worden;
de tweede, dewijl zij den mensch met kundigheden,
doch eigenlijk maar korte en afgebrokene onderrigtingen,
overladen, welke, bij gebreke van dezelve betrekkelijk
te maken op de eenig-ware kennis [van het Gode be-
hagelijke christelijke leven) onder de menschen, in
eenen onzuiveren dampkring, zelfs tot groote afdwa-
ling en verderf strekken kunnen; en de derde, dewijl
zij door enkele verstandsoefening den mensch tot gevaar-
lijken eigenwaan, en met deze tot eene zelfzuchtige
bedilling van het positive en bestaande verleiden.
Doch nu ontstaat de belangrijke vraag: Hoe zal
dit onheil verholpen worden ? liet naast bijgelegene en
uit den aard der zaak voortvloeijende antwoord zal
vast wel zijn: Door een ondeneijs, hetwelk deze drie