Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
150
Nogtans is liet daarom niet bewezen, dat de zooge-
naamde verliehtingsseholen daar schuld van zijn, na-
demaal de hier bedoelde zedeloosheid in ons Duitsche
Vaderland alleen door de vreemde krijgsbenden, als eene
verwoestende, besmettelijke ziekte, is binnengesleept. —
Dit beweren heeft zeker eenigen grond j doch men be-
denke, dat de vreemde krijgslieden ons reeds vóór
twintig jaren hebben verlaten; men bedenke, dat
eene ontaarding, die, als ware het, van buiten af
werd te weeg gebragt, even als in het physieke,
zoo ook in het morele, weder kan weggenomen worden
en uit den weg geruimd, volgens de grondstelling,
dat, als de oorzaak ophoudt, ook de uitwerking achter-
blijft. Nu is het kwaad, waarover wij ons bedroe-
ven, eerst in den tijd van vrede tot eene rampzalige
hoogte gestegen; en zijn er zelfs van wege het burger-
lljk gezag, de kerk en de school geene heilzame mid-
xoemen , de-wijl de wandaden van voormalige ruwheid zeld-
zamer worden , en het schijnbare ontluiken van meerdere
[godsdienstigheid ons troost. — Wat het eerste aanbelnngt ,
zoo heeft men , met uitzondering van moedwillige brandstich-
ting en vergiftiging, allezins gelijk. Zwaard , galg en rad
zijn bij ons niet meer zoo noodzakelijk , als in vroeger' tijd.
Doch , welke klagten hoort men daarentegen niet opgaan orer
geslepene bedriegerijen^ schchnstukken van allerlei aard, bank-
breuken, ook in de lagere klassen, het bestden van openbare kas-
sen , ongetrouwheid in ambtsbetrekkingen , staatkundige huiche^
larij, intrigues en zelfzuchtige vervolging en onderdrukking
van getvaande tegenstrevers, in hoogere kringen ? \yat
het tweede punt aanbelangt, dit zal nog in het vervolg van
dit geschrift worden toegelicht.