Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
149
dit onderwerp, dan, op het eerste aanzien, de gren-
zen van dit werk schijnen mede te brengen. Maar
wat kan van het geslacht, dat wij op het oog heb-
ben, worden verwaeht, wanneer een groot gedeelte
daarvan deszelfs oorsprong slechts te danken heeft
aan eene geile, dierlijke natuurdrift, of aan ziekelijke
ouders, waardoor het naar ligehaam en ziel krachteloos
en zwak ter wereld komt (1)? ,
(1) K«!! moge ceggeu, d.jt liet overgroole getal Tan hui-
ten het huwelijk plaats hebbende geboorten geen bewijs op-
levert voor toenemende onzedelijkheid, alzoo de bevrediging
van de geslachtsdrift buiten het huwelijk, inzonderheid wan -
neer het aangaan van huwelijken moeijelijk wordt gemaakt ,
eene natuurlijke zwakheid is, welke in elke eeuw, inzon-
derheid in groote sleden , heeft plaats gevonden.
Uïen behoeft slechts de predikatiën van Abraham a Sancta
Clara over de ondeugd van den weUust ia het godvruch-
tige Wenen te lezen. Indien men dan al toegeeft, zegt men
voorts , dat die ondeugd in onzen leeftijd mede door aan-
groeijende weelde meer uitsporig is toegenomen, is dan de
moraliteit toch in andere opzigten niet verbeterd ?
De klagt, welke hier wordt te berde gebrigt , geldt
echter niet zoo zeer het bewijs van de toenemende onzede-
lijkheid , uit de ten deze beslaande buitensporigheden ontleend,
dan wel, hetgeen ook reeds uitdrukkelijk werd opgemerkt,
de ten aanzien van fJeze ondeugd verspreide denkwijze, roor-
namelijk reeds mede in de lagere volksklassen, en den mid-
dellijken invloed van deze op de staalkundige en godsdien-
stige denkwijze en stemming ; en van daar de bezorgdheid
■voor de jammerlijke gevolgen , zelfs ook ten aanzien van
het gebrek aan geschiktheid en degelijkheid hij het toekomend
g es facht.
Voor het overige wil men zelfs het toenemen der moraliteit
II*