Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
142
ondencijs niet ondersteunt, omdat het, in het belang
der Godsdienstige opleiding, noch het verstand oefent,
noch het hart de regte stemming tracht te geven,
96.
Wij' hebben bij deze beschouwing ongetwijfeld de
overtuiging opgedaan, dat de hier nagegane scholen
voor de bevordering van de verstandelijke onticikkeling,
en door middel van deze voor de vorming des ge-
moeds, geene regtstreeksche en zekere voordeden te
weeg brengt. Wij kunnen echter nog niet geheel van
onze beoordeelende beschouwing afstappen, omdat wij
deze scholen nog onder het belangrijkste gezigtspunt
dienen in oogenschouw te nemen, te weten met op-
ligt tot de vraag: of en welken invloed zij uitoefenen
op de aangelegenheden van onzen leeftijd?
Wij moeten, ten einde hieromtrent tot eenig ge-
grond doorzigt te geraken, nog eenmaal onze oogen
achterwaarts wenden.
S- 97.
De algemeene klagt over de versliinmering van on-
zen zedelijken toestand heeft betrekking op de drie
hoofdgebreken: a.) eene teugellooze zinnelijkheid;
b.) eene in het oog loopende onverschilligheid jegens
Gods gebod; c.) eene naar verachting zweeraende
kleinaehting voor de burgerlijke wetten en overigheden.
Hebben nu die scholen, door ons verlichtingsscholen
genoemd, niet juist eene zoo verkeerde en heillooze
stemming bevorderd, ten minste steun gegeven, en
op welke wijze?
In die scholen had eigenlijk slechts eene uitkraming
van gebrokkelde en onzamenhangende kundigheden
plaats; het jeugdig verstand verkreeg dus in den aan-