Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
140
niets meer dan een oogverblindend gehengenvyerk. In
die seholen wordt, wel is waar, het gansehe jaar door
natuurlijke geschiedenis, natuurkunde en aardrijkskun-
de getrouwelijk onderwezen en geleerd; tegen het
einde van het schooljaar worden de onderscheidene
behandelde gedeelten van ieder vak met prijzenswaar-
digen ijver herhaald en doorgeloopen: dan, alzoo het
onderwijs niet op het leven wordt betrekkelijk gemaakt,
zoo vloeit uit die vlijt en dien yver der onderwijzers
en der leerlingen geene andere aanveinst? voort dan
waarmede bij de openbare examens gepronkt kan wor-
den.
Die welgezinde (1) ijver en vlijt der onderwijzers
moeit den belangstellenden waarnemer, wanneer hij
zien moet, dat de schoolopziener zich met de weten-
schap van het ondencijs niet heeft vertromod gemaakt,
en, door haar licht beschenen en vencamid, er niet op
aandringt, om minder met het geleerde te pronken, en
meerder ter harte te nemen en te bevorderen de vorming
van verstand en hart. Ongelukkig is het zoo velen.
(1) Wat moet er van die scholen gezegd worden, die ten
behoeve van de jaarlijksche examens sommige onderwerpen in
het bijzonder met de kinderen beoefenen, of hun het een of
ander gedeelte van een boek daarvoor bepaald aanbevelen ?
Heeft daarbij niet dikwerf de stuitende omstandigheid plaats ,
dat deze of gene leerling , indien de onderwijzer in den
loop der ondervragingen zich in die vooraf uitgekipte leerlin-
gen vergist, en het nu en dan gebeurt, dat een leerling,
tijd en plaats uit het oog verliezende, antwoordt: die vraag
moet ik niet hebben; zoo b. v. bij de natuurlijke geschiede-
nis: Ik heb de zoogdieren niet; of in de Aardrijkskunde:
Ik heb de bergen niet, ik heb de rivieren! 1