Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
137
kundigheid — en waar heeft daarbij eene doeltreffende
onklimming in het onderwijs plaats ? Misschien wel in
deszelfs uitbreiding, dat wil zeggen, door in ieder
jaar, of half jaar, een land meer te behandelen ? Doch
het is hier de vraag niet enkel en alleen, welk nut
znlkdanig onderwijs voorbrengt, of welk gemis van
nuttigheid er bij op te merken valt, maar wel voor-
namelijk, of dergelijk onderwijs, inzonderheid dat van
de staatkundige aardrijksbeschrijving, niet ook stellig
schadelijk kan worden ?
Dit is nog een zeer bedenkelijk punt. Het valt niet
te ontkennen, dat het aardrijkskundig onderwijs des
menschen gezigtskring uitbreidt en hem daardoor tot
vergelijken en nadenken aanspoort. Maar hoe ligt kan
in de staatkundige aardrijksbeschrijving zijn nadenken,
alzoo het niet van onderen op in de idéé van het toa-
re leven deszelfs rigting en leiding heeft genoten, in
een zedelijk - godsdienstig, zoo wel als in een staat-
kundig opzigt, zelfs gevaarlijk en verderfelijk worden ?
Men neme slechts — om de vraag meer bepaald aan
te wijzen — het voorbeeld in overweging, ons door
de denkwijze van zoo velen gegeven, die, zonder ge-
noegzame voorbereidende kundigheden te hebben opge-
daan, vreemde landen doorreisd hebben. Treft men
bij velen hunner niet veelal zekere minachting aan
voor de zeden en gewoonten van hun eigen land, en
dit zoo wel in een godsdienstig als burgerlijk opzigt ?
Ja, welke vooringenomenheid voor de vreemden, die
zij hebben leeren kennen, ontwaart men dikwerf,
vooral wanneer belang of zucht naar genot mede in
het spel komen? Dan, laat ons, ten einde de beschou-
wing van het door ons bedoelde onderwijs te volein-