Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
122
worden gegeven, en deze sehoolverbetering werd, se-
dert het tijdvak van het tot «tand brengen der con-
stitutiën, door welgezinde Ministers nog meer aanbevolen.
Welke voordeden mogen nu van die seholen voor de
eindoogmerken van het openbare, en wel met name
van het consitutionéle leven verwaeht worden? — Ant-
woord : Wel een zekere rijkdom van onderscheidene
algemeen - nuttige kundigheden en opmerkingen, die
voor het gewone leven stof tot nadenken en daardoor
het middel kunnen aan de hand doen, om inzigt in
de levensbetrekkingen der menschen te verkrijgen;
doch welke, bij nader onderzoek, blijken weinig nut
op te leveren met betrdiking tot het openbare leven,
ja zelfs daarop eenen schadelijken invloed uitoefenen.
Eene harde beschuldiging! Een nader onderzoek is
dus strenge pligt, en deze zal nu volgen in de meer
bijzondere beschouwing Tan de inrigting en den toestand
dier scholen, aan welke vdj den naam geven van Fer-
lichiingsscholen ( Anfkliirungsschulen ).
S. 86.
Betere benaming dan verlichtingsscholen kan, onzes
inziens, aan die seholen niet worden gegeven, nademaal
zij tijdens het begin van het aangeduide verlichtings-
tijdvak haar aanwezen hebben gekregen. Wat was
nu wel het oogmerk der zoogenaamde verlichter« met
die tnenigvuldige vakken van onderwijs ? De mensch
moest reeds als kind eenige kennis verkrijgen aangaan-
de den mensch, de natuur en de aarde; maar van het
erlangen en de noodige geschiktheid otn deze kundighe-
den op het leven toe te passen en zich ten nutte te
maken, van de vanning van de oordeelskracht, van het
opscherpen van het inzigt in de betrekkingen des levens,