Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
115
geen deszelfs eigene welvaart betreft, welker bevorde-
dering het éénige doel van onze Regering en zorgen
is, met welgevallen vernemen. Uit krachte van de
Constitutie, kan en behoort ieder onderdaan, regtstreeks
of middellijk, eene raadgevende stem over het welzijn
des Lands en de tot dit doel dienstige middelen aan
de hand te geven. Er moeten dus zijn, eu er zijn ook in-
derdaad, bepaalde hiertoe betrekking hebbende vereenigin-
gen, van den Gemeenteraad tot de Kamer der Landsten-
den en die der Rijksraden toe, in werking. Ten gevolge
van deze inrigting behoort ook in het geringste dorp-
je eene beraadslaging plaats te hebben. Nu vragen
wij: hoe is hier eene beraadslaging mogelijk onder
mannen, die niet eens in de school de bekwaamheid
hebben opgedaan, om de verordeningen, welker ver-
staan voor het vormen van hunnen raad en voor de
kennis van het voorwerp der beraadslaging, noodig is,
ie lezen, te begrijpen en te onthouden ? Ondervindt
men dit niet in eene menigte ook uitgebreidere dor-
pen, alwaar de Gemeente in verlegenheid is, om ge-
noegzaam bekwame mensehen te kunnen kiezen voor
het waarnemen van het bestuur, en het bekleeden
van de betrekking van lid van den Gemeenteraad ?
En nu vrage men, hoeveel doorzigt die zoo gebrekliig
onderwezen menschen zullen aan den dag leggen in
het doen eener keuze voor do zamenstelling van de
Districtsraden, of zelfs wel voor die van de hoogste
vergadering des Lands? Welke verkeerdheden zullen
en moeten er niet door zulke onkundige en beperkte
menschen begaan worden, zoo wel bij de keus van
hunne bestuursleden, als van die, welke den Raad
moeten uitmaken? Welke ongerijmdheden in het be>
9