Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
108
vaji het geheugen? Want welk ander zielsvermogen
wordt wel in het overige onderwijs te baat genomen
en tot het behoorlijk bevatten van die onderwijzin-
gen geoefend? En wat zieli nu als de bedroevendste
gedachte, bij dezen toestand der school, aan den kinder-
vriend opdringt, is de overweging, dat voor deze van
alle geest en leven ontbloole oefening een tijdvak van
6 tot 7 jaren wordt gebezigd — het tweede gedeelte
van den schoonstcii leeftijd der kinderen!
Ach, dat dergelijke overweging niet reeds sinds lang
bij de Staatsbestuurders en onderwijskundigen is opge-
komen !
Doch de gewone sleur beperkt den gezigtskriiig, be-
lemmert de denkkracht, onderdrukt het gevoel, en
geheime trots verhardt het oor tegen herinneringen
en vermaningen. Op deze wijze Jilleen wordt het be-
grijpelijk en verklaarbaar, dat men die scholen niet
slechts gedoogde, maar dezelve, als ware het, goed-
keurde , met te zeggen: als een mensch maar regt goed
lezen en schrijven kan; meer te toeten mag wel nuttig
zijn, maar het is niet noodzakelijk, ja voor velen zelfs
bedenkelijk !
S- 74.
Het verkecrdste, dat aan deze scholen valt op te
merken, ^is, dat zij voor geene verbetering vatbaar
zijn, en uit dien hoofde de welineenendste pogingen
van edeldenkende Staatslieden, om het inwendige der
scholen of het onderwijs bevorderlijk te wezen, voor
dusdanige scholen zonder eenige uitwerking moeten blij-
ven. Want, wat toch zal en kan de aanbeveling,
om het onderwijs steeds te volmaken, voor die scholen
anders uitwerken, dan dat de onderwijzers de gcbrui-