Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
107
eu op het naauwkeurig leeren vau de opgegevene taak,
gesteld is en acht geeft.
Wij wensclien, dat deze voorstelling en beschrijving
van de in den ouden trant ingerigte school toch
tot nadenken, en dit weder tot de overtuiging
moge brengen, dat in zulke schoolinrigting zoo min
het verstand als het gemoed, zoo min dc verstan-
delijke als de , zedelijk - Godsdienstige vorming bij het
onderwijs van het lezen en schrijven iets zal kunnen
winnen.
Wij moeten echter, ten einde de instelling, in hare
verhouding tot hare bestemming, meer volledig te lee-
ren kennen, ook het derde en vierde voorwerp van
het onderwijs: rekenen en . Christelijke leering, iets
meer van nabij beschouwen.
liet rekenen kan, volgens geheel den aanleg der
school, niet anders dan op eeiie even zulke werktui-
gelijke wijze behandeld worden — het rekenen op de
lei immers in geen geval anders —; maar ook even
zoo het zoogenaamde rekenen uit het hoofd, w.int het
bestaat slechts in het gebruiken der vourdeolen, om
een rekenkundig voorstel spoedig op te lossen. Van
een aanschouwelijk inleiden der leerlingen in de eigen-
schappen en onderlinge verhoudingen der getallen, van
eene weloverlegde toepassing der rekenkunst op de
betrekkingen van het dagelijksehe leven, kan hier
doorgaans volstrekt geene rede zijn.
Nu vragen wij: welk nut kan een leerling, die op
zulke werktuigelijke wijze behandeld is, uit het Gods-
dienstig onderwijs trekken? Is hij in staat de heilige
en verkwikkende leerstellingen van de Godsdienst met
een ander zielsvermogen op te nemen, dan met dat