Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
102
leer uitmakende, opgedragen, en zij zijn daarom, uit-
hoofde de leer over de opvoeding der raensehen niet
uit het ware oogpunt is beschouwd, zeer beperkt en
onvolkomen voorgedragen geworden.
Het groot belang dezer zaak vordert, dat de leer
der opvoeding met al hetgeen zij als wetenschap en
kunst in zich begrijpt, als een veelomvattend vak,
door eenen daartoe bepaaldelijk aangestelden Uoogleeraar
worde voorgedragen, en wel theoretisch voor eiken
studerende, en practisch, te weten de kunst van on-
derwijzen en de schoolinrig 1 ing, voor hen, die zich
voor het onderwijs in hoogere leerscholen of voor dc
betrekking van Iloogleeraar bestemmen, ten einde eerst-
gcnoemden, die zich Millen voorbereiden om in het
bestuur van het onderwijs werkzaam te zijn, zich ook
werkelijk daarvoor zouden kunnen vormen. Want,
waar zal men, zoo lang men nog buiten betrekking
is, de geschikte gelegenheid vinden, om zich daartoe
te bekwamen, en in welk ambt valt iemand de daar-
toe noodige beschikbare tijd ten deel (!}? En dit ia
(1) liet wordt niet ontkend , dat er onder de bedoelde
mannen vele geleerden fijn, die door hnnn« bekendheid met
schoolkundigheden en hunne wijsgeerige vorming in staat zijn,
zich spoedig de noodige opvoed- en onderwijskundige bekwaam be-
den eigen te maken; doch welke uitzonderingen op den regel
zijn dit doorgaans niet? En bekennen niet juist de zoodani-
gen het opregtelijk , dat het nieuwe ambt het meer bijzonder
beoefenen van hetgeen tot de behoorlijke waarneming gevor-
derd wordt, voor hen noodig maakt; terwijl hunne ambtge-
nooten welligt niet eens schijnen gewaar te worden, dal hun
de vereischte kundigheden daarloe ontbreken.