Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
100
Doch, wij zullen eens de vereerende onderstelling
aannemen, dat de verschillende personen, die, plaatse-
lijk of distrietsgewijze, met het schooltoezigt belast zijn,
wezentlijk de voor die taak gevorderde bekwaamheid
bezitten; kan dan nog wel de Regering door hen haar
doel bereiken, iiidien onderscheidene personen het on-
derzoek der scholen verrigten, en ieder voor zich,
uit gebrek aan een gemeenschappelijk beginsel, vol-
gens ^ijne individuele inzigten de school beoordeelt?
Hoe kan alsdan de llegering uit al die berigten en
beoordeelingen eene volledige en zekere slotsom nopens
den toestand van het schoolwezen, hoe overeenstem-
mende oordeeltellingen, verslagen en voorstellen erlan'
gen? Hoedanig zal 't dan met de rekenschap gesteld
zijn, welke zij zeiven bij de Hooge Regering afleggen?
Hoe verkeerd kan deze derhalve ten aanzien van het
schoolwezen onderrigt, ja, zelfs grootendeels misleid
worden ?
§. 71.
In geval nu ook zij, die het toezigt op het school-
wezen uitoefenen, daartoe ook al eens niet de genoeg-
zame cn gevorderde bekwaamheid kunnen aan den
dag leggen, dan kan hun zulks nit dien hoofde toch
matig nadenken en onderzoek te brengen, of niet hetgeen de
Schrijver dienaangaande heeft te berde gcbr.igt, ook wezent-
lijk waarheid beval. Tegenover het nangeduide vermoeden zou
de Schrijver niet alleen kunnen stellen de oordeelvelling van
een' practisch'Onderwijzer, als geleerde en schoolopziener hoo-
gelijk geacht , maar ook van Bisschoppen , Staatslieden en
Regenten • indien 't hem niet nutteloos schsen, zich achter
autoriteiten te verschuilen daar, waar de waarheid door zich
lelve behoort te zegevieren.