Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
98
■van den schnoltnin, het nagaan, of de school wel
bezocht woidt, of de prijsschriften zindelijk gehouden
en wel bewaard woi'den, of de ondei wijzer de school-
uren behoorlijk waarneemt, de lijsten van de afwezig
geblevcnen en de aanteekeningen nopens het gedrag
der leerlingen ordelijk houdt, en of hij, naar de ge-
tuigenis \an dengenen, die Onmiddellijk boven hem
is gesteld, bewijzen geeft van ijver en van goed ge-
di-iig. Maar neen! Het schooltoe/.igt moet ook school-
examens houden, ten einde de vruchten van het onder-
wijs zelf te beoordeelen! Eu wie maken wel, vol-
gens onze onderstelling, dat schooltoezigt nit? In den
regel is het een geestelijke, die den naam heeft ver-
worven van een man van doorzigt, een goed predi-
kant, een ijverig zielzorger on schoolvriend te zijn, en
uit aanmerking daarvan met liet sehoolopzigt is belast
geworden. Doch, waar hebben dezulken de voor deze
betrekking gevorderde bekwaamheid en opleiding ver-
worven en aan deii dag gelegd? Hiie zullen nu zoo-
danige mannen, die van de opvoedkunde nooit, ten
minste nooit bij voorkeur, hun werk gemaakt, en der-
halve ook geen denkbeeld van het schoolwezen- en
deszelfs bedoelingen verkregen hebben, welligt nooit
tot eene behoorlijke kennis van de afzonderlijke vak-
ken van onderwijs zijn gekomen, welke een onderwij-
zer behoort te beoefenen, en nog veel minder de
hennis van de leerwijze bezitten, tenzij van het hou-
den van catechisatiën over godsdienstige onderwerpen j
hoe zullen, vragen wij, zulke personen door middel
van een schoolexamen den wezentlijken stand en de
juiste en in den waren geest gemaakten voortgang eener
school, alsmede dc verdienste cn de werkzaamheid eens