Boekgegevens
Titel: Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Auteur: Graser, Johann Baptist
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1844
Opmerking: Vert. van: Das Verhältniss der Elementarschule zur Politik der Zeit
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1169 D 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204333
Onderwerp: Onderwijs: onderwijssystemen, onderwijsinstellingen: algemeen
Trefwoord: Onderwijsstelsels, Lager onderwijs, Staat (politicologie)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het lager onderwijs in betrekking tot de staatsinrigting: eene beoordelende beschouwing van het tegenwoordige onderwijs ...: staatslieden ter overweging, onderwijzers ter behartiging aanbevolen
Vorige scan Volgende scanScanned page
89
gezag had verworven, en zoo ontstond er een bij-
zonder regt voor ieder land afzonderlijk (Landrecht).
Doch, toen later meer dan ééne Duitsche Regering in
dit opzigt niet alleen geraakte tot de duidelijke kennis
van het regt, maar ook tot de kennis van derzelver
onderlinge en wederkeerige betrekkingen, en van de
overtuiging der noodzakelijkheid, om de regtsvoorschrif-
ten op eene wijze uit ie drukken, die met den graad
van beschaving overeenstemde, welke de natie had be-
reikt; toen was men bedacht op het vervaaidigea van
een nationaal Wetboek, en wij ontvingen de meester-
stukken van wetgeving voor Oostenrijk en voor Pruis-
sen, terwijl wij ons voor ons Land {Beijeren) weldra
over hetzelfde voorregt zullen mogen verheugen. Maar
is dan in die Wetbueken een verschillend regt behan-
deld, of zijn er verschillende regtsbeginselen in voor-
gesteld, of wel, liggen bij deze Wetboeken niet dezelf-
de regtsbeginselen ten aanzien van de hoofdzaken ten
grondslag, waaromtrent maar alleen bijzondere wijzi-
gingen zijn vastgesteld? Moeten deihalve op dat ge-
deelte van het veld der mcnschelijke wetenschap, het-
welk hier meer bepaaldelijk door ons wordt overwo-
gen, en waarbij sprake is van de voor hel mcnschelijke
leven volstrekt cn algemeen noodzakelijke kundigheden,
ook niet algemeen geldende bepalingen vastgesteld en
uitgedrukt worden?
Maar, zal men vragen, behooren dan ook over de
manier van onderwijzen en de inrigting van het onder-
wijs algemeene en wettelijke voorschriften en bepalingen
te worden gegeven? Het antwoord zal uit de voort-
gezette vergelijking voortvloeijen. Het ligt in de zwak-
heid der menschelijke natuur, dat ook do duidelijkste